10. De start
8 oktober 2024 - Nederland, Nederland
Dinsdagochtend, 10 september.
Ik word wakker in een ger in de Gobi-woestijn, en het feit dat ik überhaupt wakker word, voelt als een zegen. De hele nacht heb ik liggen bibberen in mijn slaapzak, omringd door een stel Australiërs die, zo leek het, een perfecte nachtrust hadden gehad. Ze stonden al vroeg te grappen en te grollen, en de helft van de ger was al druk bezig met inpakken. Wacht eens even... Hoe laat was het? Shit! Ik ga de start missen. F*ck!
In een paniekaanval die je alleen kunt vergelijken met een oermens op de vlucht voor een sabeltandtijger, rolde ik (nog half in m’n slaapzak) uit bed met een doffe klap op de vloer. Met moeite wist ik mijn telefoon te grijpen, die ergens midden in de ger aan een verlengsnoer bungelde. Terwijl ik nog verward naar de “06:28” op het scherm keek, hoorde ik de stem van Glen, één van de Australiërs, met zijn kenmerkende nonchalance: “Buddy, are you okay? What’s wrong?”
Zo dames en heren, begon mijn ochtend van de start– allerminst vredig. Natuurlijk had ik hen gewoon kunnen vragen hoe laat het was, in het Engels, want dat spreek ik ook prima. Maar nee, ik koos voor het meest logische: mezelf compleet voor paal zetten.
De Australiërs – stuk voor stuk topkerels – leken een soort militair regime te volgen. Nog voor zeven uur was ieders bed strak opgemaakt en waren de meeste tassen al ingepakt. Alleen ik lag nog als een hoopje ellende in bed. Maar eerlijk gezegd maakte het me niet uit; ik wist dat ik die slaap hard nodig zou hebben. Zoals altijd ging de tijd veel te snel, en voor ik het wist, knipperde ik twee keer met mijn ogen en was het alweer 8:00.
Het ontbijt zou om 08:30 beginnen, maar dat weerhield de Australiërs er niet van om, om 08:15 al keurig aan tafel te zitten. Ik schoof aan als een stagiaire tussen deze voorbereide, potige mannen, die er niet alleen uitgerust uitzagen, maar ook nog eens vakkundige lijnen op hun kaarten hadden getrokken. Het impostersyndroom bekroop me nu wel echt heel erg.
Mijn reisgenoten – Poras, Artem en Kaito – kwamen pas rond 9 uur aankakken, en die zagen er allesbehalve fris en fruitig uit. Maar wacht eens… waar was Andrej?
Die vraag hing in de lucht en al snel stonden we met een man of tien luidkeels naar Andrej te roepen, hopend dat hij zou laten weten in welke ger hij zich had verstopt. Blijkbaar had hij zich in zijn nachtelijke dronken dwaaltocht naar een andere ger verplaatst, waar hij inmiddels comateus lag. Het zag er niet goed uit voor hem, maar hij beloofde dat hij ‘zo’ zou komen. Een paar minuten later, toen zijn lichaam alle pijnlijke plekken begon te voelen en zijn zenuwen eindelijk weer functioneerden, trok hij die belofte terug. Hij zou pas later in de middag vertrekken.
De teleurstelling was zichtbaar op Artem’s gezicht. Het was zijn 40e verjaardag, en maanden geleden hadden hij en Andrej het plan gemaakt om op deze dag samen op een Monkey te stappen. Zijn droom viel voor onze ogen in duigen. Hoewel Artem het niet echt liet merken, voelden we allemaal even de teleurstelling in de lucht hangen. Gelukkig waren we in goed gezelschap en voor hij het wist, werd hij door iedereen één voor één gefeliciteerd, en kreeg hij van ons een joviale knuffel, alsof we hem al jaren kenden en dit de zoveelste verjaardag was die we samen vierden.
We hadden niet veel tijd meer en ik ging nog even mijn Ger in, waar ik een Australiër - Henry - vroeg of ik zijn komische selfiestick mocht gebruiken om mijn lenzen in te doen.
Uiteraard kon ik het niet laten om wat gekke bekken te trekken en selfies te maken van mijn fotogenieke hoofd. Henry is een topgozer en hij heeft de allure van een goedlachse grappenmaker die bij iedereen wel een lachje kan losweken, juist omdat hij gewoon zo’n ongedwongen relaxte houding heeft. Deze foto’s zou hij later nog in de groepsapp delen, omdat hij er zelf zo om moest lachen.
Nadat ik mijn lenzen inhad, ging ik nog even wat benzine halen (want ja, gratis is gratis) en begon ik mijn bagage te bevestigen op de motor. Tot mijn verbijstering zag ik de metalen bak nog op de grond liggen, naast alle bevestigingsmaterialen die ik had gekocht op de markt. Voor mij was dit geen probleem: ik ging toch al met een naakte monkey, zonder aanpassingen op weg, maar ik had Andrej toegezegd dat hij die bak kon gebruiken voor zijn eigen monkey en er zo zijn eigen spullen in kwijt kon. Het zou nu wel heel krap worden qua tijd dacht ik bij mezelf.
Intussen had de rest zich ook bij de monkeys geschaard en monkeys kregen al snel vorm: je zag de gekste en creatiefste creaties. Hiervan zal ik nog wel foto’s delen, want het was hilarisch om aan te zien.
Een van degenen die zich bij ons had gevoegd, was Johannes (24) uit Noorwegen. Tijdens de busrit naar het kamp in de Gobi zat ik naast hem, en het duurde niet lang voordat ik me realiseerde dat ik misschien toch niet zo slecht voorbereid was als ik dacht. Johannes had namelijk onderweg ergens een tent op de kop getikt in Kazachstan en zou na de finish rechtstreeks doorvliegen naar Tokio voor werk. Het leek bijna alsof hij er terloops bij was, alsof dit avontuur slechts een voetnoot was.
(Later zou blijken dat Johannes een travel influencer is met honderdduizenden volgers op meerdere media platforms. Dat verklaart een hoop.)
Wat ons echter allemaal bleef verbazen, was zijn broek: hij had een wijde jeans aan met een enorm gat van zijn kruis tot halverwege zijn bovenbeen. Het deed niets af aan zijn persoonlijkheid, maar het riep wel een paar onbeantwoorde vragen op als je iemand met zo’n broek ziet stuntelen met zijn bagage midden in de Gobi-woestijn. We vroegen ons stilletjes af of die bagage echt zijn grootste probleem was, aangezien je zo nu en dan zijn onderbroek kon zien. Maar goed, er was geen tijd om daar verder over na te denken.
Ik had Johannes de avond ervoor beloofd dat ik hem zou helpen met wat snelbinders die ik nog over had (zo was ik zelf ook weer van wat gewicht af), en kort daarna leek zijn bagageprobleem opgelost. Terwijl we aan de praat raakten, kwam ik erachter dat Johannes nog geen maat had om mee op te trekken. 1+1=2. Andrej viel voorlopig af en niemand wist precies wanneer hij zou aanhaken, dus ik stelde voor dat Johannes zich bij ons voegde. Dat aanbod nam hij maar al te graag aan, en toen de jongens ( Poras, Kaito en Artem ) zich eenmaal bij de monkeys hadden gevoegd, deelde ik gauw mijn aanvalsplan met ze.
*In het verhaal dat ik zelf schrijf kan ik heel episch verkondigen dat ik ze bij me riep en als een generaal orders uitdeelde aan de squad, zodat iedereen preceies bewust werd van zijn taak.*
In de realiteit ging het er anders aan toe: de bagage van de jongens werkte niet mee en toen we eenmaal bij toeval bij elkaar stonden om het een en ander te bespreken, praatten we als een stel schoolkinderen gauw door elkaar heen. We verstomden voor een moment toen we een doffe knal hoorden: de bagage van Johannes was compleet gedesintegreerd en van z’n motor gedonderd. Alles lag verspreid over de grond. Het was inmiddels 09:50.
Schaterlachend liepen we allemaal naar onze motoren toe, want we hadden immers besloten dat we het all-men-left-behind principe aanhielden: iedereen met pech moest zijn eigen boontjes doppen. Anders zouden we vijf keer zoveel pech hebben als we steeds op elkaar bleven wachten.
Iedereen die mij kent, weet dat ik vaak de bedenker ben van de meest ondoordachte, half-serieuze ideeën. Ik ben die vriend waar je ouders je altijd voor waarschuwden als het aankomt op wilde plannen. En met mijn overtuigingskracht, gecombineerd met een heel arsenaal aan drogredenen, lukt het me vaak ook nog om anderen mee te krijgen in die idiote avonturen.
Zo ook dit keer: ik had de jongens ervan overtuigd dat het veel logischer en eenvoudiger was om gewoon keihard naar het zuiden te rijden – terwijl de finish zich in het noorden bevond. Tot op de dag van vandaag snap ik nog steeds niet hoe die sukkels erin trapten en me geloofden toen ik hen dit waanzinnige plan voorstelde. Maar eerlijk is eerlijk, het was een geluk bij een ongeluk. We hebben er de mooiste avonturen aan overgehouden en de meest bizarre verhalen om later te vertellen.
Voor Poras was dit al zijn tweede monkey run: hij had al een keer eerder meegedaan in Marokko en daar had hij 400m na de start op grandioze wijze zijn ribben gebroken. Waarna hij gedurende een week over het asfalt naar de finish is gesukkeld.
Ik kan hem niets kwalijk nemen, maar het leidde er wel toe dat Poras ook in Mongolië het tempo van een peuter op driewieler aanhield (hij reed ongeveer 10-15 km/u op een zandweg).
Kaito, daarentegen, had nog nooit op een motor of schakelbrommer gereden. Alles was nieuw voor hem. Het zou essentieel zijn voor zijn ontwikkeling als motorrijder dat hij niet te veel van Poras’ rijstijl overnam, dus we moesten zijn blootstelling aan Poras zo veel mogelijk beperken.
Artem heeft veel ervaring met motorrijden (gelukkig ook met Triumphs), dus het was allemaal niet zo spannend voor hem, behalve dan dat hij er een beetje over in zat dat hij nu een oude vent geworden was en misschien wel een heup zou breken zoals oude kerels dat wel eens doen: dus hij deed het ook rustig aan.
Johannes, aan de andere kant, hield er wel van om flink door te gassen en qua rijstijl pasten hij en ik dus ook het meest bij elkaar. Ironisch genoeg is hij ook de rijder met wie ik het minst heb gereden tijdens deze rally. Soms loopt het gewoon zo.
Om 09:55 heb ik het plan nog even snel uiteengezet bij de jongens, achteraf schiet me nu te binnen dat ze misschien te beduusd waren om er iets tegenin te brengen zo vlak voor de start. Timing is alles…
Het plan was simpel en achterlijk: zij rijden als een groep naar het zuiden (ik gaf ze ongeveer op het kompas aan dat ze 10 graden rechts van het zuiden moesten volgen) en dan zouden ze uiteindelijk na een kilometer of 100 een klein dorp tegenkomen met een benzinestation “Tsogttsetsii”. Hier zouden we verzamelen rond het middaguur waarna we weer als één groep verder zouden trekken om ons kamp ergens op te slaan.
Het zag ernaar uit dat Johannes nog even wat tijd kwijt zou zijn bij het startkamp om zijn bagage te bevestigen en dus enkele minuten na de start zou vertrekken.
En terwijl de opa’s (Poras, Artem, Kaito) richting het zuiden gingen, zou ik als een malle naar het noorden racen om daar nog even gauw foto’s te maken bij White Stupa, iets waar ik Nauwelijks aan toe was gekomen de dag ervoor - mede doordat ik mijn helm moest gaan zoeken onderaan het ravijn.
Het bespreken van het plan, was minder een bespreking en meer een mededeling. Ik had mijn helm al op en was al bezig met halfhartig mijn handschoenen aantrekken, terwijl ik dit met ze deelde. Achteraf kan ik me ook niet herinneren of ze nog op- of aanmerkingen hadden. Al met al, had ik er dus ook niet heel verbaasd over moeten zijn toen het plan compleet in duigen viel.
Het was iets over 10:00 en het startsignaal werd gegeven. Een prachtige chaos volgde en ook hier zijn (drone-)beelden van die ik zal delen zodra ik ze heb. We moeten eruitgezien hebben als een mierenhoop die in blinde paniek alle kanten uitsloegen. De meesten van ons dan… Terwijl we allemaal wegstoven (ik maakte meteen een U-wending om finaal de verkeerde op te racen), bleven er ook een paar pechvogels achter, waaronder Johannes die nog gauw zijn bagage van de grond moest sprokkelen en het met een paar snelbinders moest bevestigen.
Als grapjas kon ik het natuurlijk ook niet laten om vlak voor de start nog even gauw de benzinekraan van mijn Noorse buurman dicht te draaien toen we opgesteld waren op de startlijn, zo ben ik dan ook wel weer. (Dat leek grappig totdat ik er niet veel later achter zou komen dat Karma echt bestaat).
Op weg naar de White Stupa, zo’n vijf kilometer van het startkamp, voelde alles nog surrealistisch. Hier was ik dan, midden in de Gobi, op een Monkey. Het avontuur was nu écht begonnen! Ik droomde even weg, hooguit een halve minuut, toen ik mijn eerste ‘billenknijp-moment’ had: mijn minuscule wieltjes kwamen in het spoor van een veel groter voertuig terecht en hadden geen schijn van kans. Na een paar meter van links naar rechts te zijn geslingerd, tuimelde ik met de elegantie van een Russische ballerina van de motor. Terwijl ik de Monkey weer overeind hielp, twijfelde ik of ik nu trots moest zijn op mezelf of niet… Het was in ieder geval een elegantere val dan de keren op de dag ervoor, maar goed, ik was ook pas tien minuten onderweg…
Tot aan dat moment had ik geen strategie en zoals elk weldenkend mens die alleen op zichzelf en zijn Monkey is aangewezen in de Gobi had ik besloten dat het tijd was voor de hooligan-aanpak: Remmen is angst.
(Met de kennis van nu weet ik natuurlijk dat dit een kantelpunt is geweest in de hele trip en waarschijnlijk ook de beslissing waar ik het meeste spijt van heb gehad).
Maar goed, ter verdediging presenteer ik de drogredenen waarmee ik het voor mezelf rechtvaardigde:
Deze hele trip is al niet rationeel.
Toen ik in slow motion viel, moest ik de motor weer optillen. Met wat meer snelheid had ik het misschien gewoon gehaald. Of niet, maar ik zou de motor toch moeten optillen.
Zoals de dag ervoor besloten: wanneer de monkey het wel doet kan je er maar beter goed gebruik van maken.
Ik had hele degelijke bescherming in mijn broek en jas (mijn zwakke schoenen en gehavende helm laat ik even buiten beschouwing).
De belangrijkste reden: Ik ben 25 (het schijnt dat je hersenen dan eindelijk volgroeid moeten zijn, maar ik heb hier weinig van gemerkt) en ik bevind me in de Gobi-woestijn op een monkey. Er zullen hopelijk nog genoeg jaren aankomen waarin ik het rustig aan zal doen. Maar niet nu.
Na afzienbare tijd kwam ik aan bij White Stupa (Tsagaan Suvarga ) en het was echt fenomenaal om te zien. Ik maakte een paar foto’s en videootjes en in de verte zag ik zelfs een gek die onderaan het ravijn op een monkey genoot van het aanzicht. Deze gek heet Mike en hij is een vrachtwagenchauffeur uit Amsterdam die er ook bij was bij een vorige editie in Marokko (waar Poras zijn ribben brak). Mike is echt een topgozer en hij heeft de organisatie ook een handje geholpen met het opbouwen en afbreken van de start en finish locaties. Ik heb Mike uiteindelijk pas echt gesproken bij de Finish en een enkele borrel na de finish, maar ik weet dat we elkaar zeker nog eens tegen zullen komen in rustiger vaarwater.
Nadat ik een halfuur had weggekwijnd bij Tsagaan Suvarga werd het voor mij tijd om verder te gaan en de achtervolging in te zetten richting het Zuiden. Om me nog even haastig te oriënteren pakte ik mijn kaart uit mijn linkerjaszak, maar ik greep mis. Zuchtend zette ik de motor op de standaard en ontdeed ik me van mijn handschoenen om de kaart in mijn jaszak te vinden - ik kon me toch echt herinneren dat het een enorm lomp ding was dat de meeste ruimte in mijn zak opnam… Nu, zonder handschoenen in mijn linkerjaszak kon ik heel goed voelen dat deze zak leeg was.
Ik voelde me verslagen en de leegte gaf mijn brein het startsein om te gaan doemdenken: deze trip was al gestoord genoeg, maar om het ook nog eens te gaan ondernemen zonder kaart zou compleet gekkenwerk zijn.
Na een korte existentiële crisis kwam ik de Noren tegen die mij tegemoet reden. Ik vroeg ze waarom het zo lang had geduurd, terwijl ik heel goed wist wie (ikzelf) hun benzinekraan had dichtgedraaid. Toen ik ze vroeg of ze onderweg een verdwaalde kaart waren tegengekomen moesten ze me teleurstellen, maar ze boden me wel aan om bij ze aan te sluiten.
Dankbaar sloeg ik dat aanbod af en vervolgde ik mijn weg terug naar de startlijn. Ik had me voorgenomen om nog even gauw wat foto’s te maken van de kaart die de organisatie had opgehangen in de kantine. Dit leek me beter dan op pad gaan zonder kaart, hoewel het plan natuurlijk verre van waterdicht was.
Eenmaal aangekomen bij het startkamp zag ik leden van de organisatie druk in de weer met dozen en kratten. Hier sprak ik Shatra aan, een hele aardige Mongoolse dame met wie ik later na de reis nog zou optrekken in het nachtleven van Ulaanbaatar. Ik kon een gat in de lucht springen toen ze me vertelde dat ze een kaart hadden gevonden in de buurt van de startlijn. Deze was ik als geluk bij een ongeluk dus verloren toen ik de jongens op de hoogte bracht van mijn grandioze plan. En met de kaart op zak voelde ik me onoverwinnelijk toen ik eenmaal ten strijde trok, volle vaart richting het zuiden.
Het avontuur kon nu echt beginnen!
Tijdens het eerste uur reed ik, verblind door enthousiasme, als een bezetene richting het zuiden. Ik hield mijn kompas strak in de gaten en volgde de route 10 graden rechts van het zuiden, alsof mijn leven ervan afhing. Zo nu en dan stopte ik op willekeurige plekken om te genieten van het uitzicht en wat foto's te maken met mijn Chinese telefoon, die er overigens niet in slaagde de schoonheid van het landschap vast te leggen, laat staan de complexiteit van het terrein dat ik doorkruiste. Maar dat hield me niet tegen. Lachend van oor tot oor stuiterde ik over het terrein, negerend hoe de Monkey onder me kermde en kraakte
Knieën tegen de tank, armen ontspannen en je benen gebruiken als vering op de voetsteunen. Dit mantra ging continu door mijn hoofd, want zo heb ik het ergens gelezen online. Of mijn houding in de praktijk klopte? Joost mag het weten, maar ik deed wel mijn best. Na een uur werd ik bijna van mijn motor gegooid toen ik vol gas door een veel te diepe kuil reed. De monkey paste zonder enige moeite compleet in de kuil en het waren enkel de snelheid i.c.m. mijn onbezonnenheid die er voor zorgden dat ik na een flinke klap aan de andere kant van de kuil terechtkwam. Mijn rug voelde meteen pijnlijk en stijf aan en diep in mijn hart wist ik dat ik de pijn niet moest erkennen in zo’n vroeg stadium, maar het is er gedurende de volgende 10 dagen alleen maar slechter op geworden. Gelukkig ben ik 25 - als ik net zo oud was als Poras, had dit me waarschijnlijk compleet gesloopt
Rond het middaguur kwam ik een camper tegen, in the middle of nowhere. Naast de camper stond een oudere dame een groep kamelen te melken. Toen ik dichterbij kwam zag ik de kamelen ietwat onrustig worden en ik zette de motor af op gepaste afstand, want een race zou ik zeker niet van ze winnen. De mevrouw nodigde mij uit binnen in haar camper en hier kreeg ik zoals gebruikelijk is een slok gefermenteerde melk en daarna een kom warme verse melk. De gefermenteerde melk was akelig, maar de warme melk smaakte heerlijk. Als blijk van waardering gaf ik deze mevrouw een reep chocola (en daardoor was mijn voedselvoorraad geslonken tot een halve zak nootjes). De man des huizes had weinig interesse in mij, omdat hij verzonken was in de tv. Ik maakte ook weer snel dat ik wegkwam nadat ik wat advies over de route had gekregen. Vlak voordat ik wegging, vroeg ik nog even gauw of ik een foto mocht maken bij de kamelen en de vrouw knikte enthousiast ja. Maar zodra ik eenmaal op de kamelen afstapte schreeuwde ze een onmiskenbare “NO” naar me. Ik weet tot op de dag van vandaag niet hoe het misverstand heeft kunnen ontstaan, maar uiteindelijk heb ik alleen foto’s van haar mogen maken, terwijl zij bij de kamelen stond. Dat is ook waardevol, hoewel ik er natuurlijk stiekem ook graag een van mezelf had gehad.
Ik zette de reis voort, naar het zuiden.
Nog geen halfuur later zag ik in de verte een ger met een jongen die aan het uitrusten was op een nabijgelegen rotsformatie. Ik naderde voorzichtig, maar hier werd ik doelwit van hun beschermende waakhond. Toen de hond eenmaal was vastgebonden door de knul van een jaar of 15 werd ik begroet door zijn moeder. Je kan je de verbazing op hun gezicht waarschijnlijk wel voorstellen als ze op een dinsdagmiddag worden benaderd door een bebaarde gozer in een motorpak op een monkey…
Ook hier was mijn bezoek van korte duur en deze dame overtuigde mij dat de weg naar het zuiden onbegaanbaar was en dat ik eerst een uur in westelijke richting moest afleggen, waarna ik over de “zwarte weg” (asfalt) naar het zuiden kon rijden.
Als overmoedige twintiger met een indrukwekkend slechte risico-inschatting, besloot ik natuurlijk het advies van de locals compleet te negeren. “Als ik naar het zuiden moet, dan rijd ik gewoon dwars door alles wat me tegenhoudt naar het zuiden,” dacht ik nog vol bravoure.
Ik volgde het paadje naar het westen tot ik uit het zicht was verdwenen en daarna sloeg ik van het pad af, rechtstreeks richting het zuiden. Wat ik toen nog niet wist, was dat dit het begin zou worden van een waardevolle les: negeer nooit het advies van de lokale bevolking.
Ik verdwaalde al gauw en met een slakkengang sleurde ik de motor over opgedroogde rivierbeddingen, lage struikgewassen, rotsformaties en onvermijdelijk ook mul zand. De zon scheen ongenadig fel, maar ik maakte er een feestje van. Zoals mijn vriend Struick al voorspeld had, nam ik op die eerste dag compleet onnodige risico’s. Waarom niet? Het was toch maar een huurmotor.
Het is even heel spannend geweest toen ik mezelf bovenaan een plateau op een bescheiden bergketen bevond met een heel diep ravijn voor mijn neus. Het zou logisch geweest zijn om netjes om te rijden, maar mijn brein functioneerde niet naar behoren en ik besloot om dwars naar beneden te rijden. Dit had ik achteraf ook beter niet kunnen doen, omdat de situatie onoverzichtelijk was en ik geen idee had of er een uitweg zou zijn.
Op goed geluk stuurde ik de motor lang smalle bergwanden naar beneden. Het was zo smal dat ik de motor met geen enkele mogelijkheid omgekeerd zou kunnen hebben, mijn lot was dus als het ware bezegeld toen ik aan de afdaling begon. En ik zeg wel eens: als je een fout maakt kan je hem maar beter goed maken, want dan leer je er het meest van.
(Ik heb het grootste deel van deze afdaling gefilmd en ik raad je aan om het zonder geluid te bekijken, tenzij je geniet van een stroom aan niet-uitzendbare scheldwoorden richting mezelf en mijn arme Monkey.)
Het duurde niet lang voordat ik mezelf tegen de eerste bocht aan moest manoeuvreren en toen werd pijnlijk duidelijk dat ik dit absoluut niet had moeten doen. De “weg” die ik volgde, eindigde in een drop van 8 meter naar beneden.
Ik heb ongeveer 10 minuten vol wanhoop naar de situatie gestaard, wetende dat er geen weg terug was en daarna heb ik de monkey achtergelaten om de afdaling te wagen en zo te zien of het verderop doodliep. Ik hield me voor dat ik me ditmaal niet zou laten verrassen.
Eenmaal beneden aangekomen voelde ik pas hoe nat van het (angst-)zweet ik was omdat ik me nu in de veel te koude schaduw bevond. Ik dwong mezelf ertoe om een waterpauze in te lassen en daar dronk ik in alle rust mijn laatste liter water* op, Mijn gebrek aan voorbereiding zou me wel eens duur komen te staan realiseerde ik me toen…
(*Nadat we zondag ons water hadden moeten offeren om de bus weer op de weg te krijgen werd ons beloofd dat we wat konden kopen bij het startkamp. Dit was onjuist: ze hadden enkel bier, vodka en Jägermeister. Zonder dat ik het wist, werd er maandag water bezorgd en toen ik daar dinsdagochtend achterkwam had ik in mijn kortzichtigheid maar 2 liter meegenomen, waarvan ik de helft in de ochtend al op had. Onfortuinlijke samenloop van omstandigheden…)
De moed was me in m’n schoenen gezonken en ik had ook geen bereik om even te googlen wat ik nu het best kon doen. Op dit moment voelde ik me écht alleen en het kostte me een beetje moeite om niet in paniek te raken. Gelukkig kan ik in elke situatie positief blijven en dat heeft me op een onvoorspelbare manier de drive gegeven om die situatie uit te komen, Het ging zo: terwijl ik mijn halve zak nootjes aan het opsmikkelen was voelde ik me wederom verschrikkelijk: mijn mond werd er alleen maar droger van. Ik stopte de gescheurde zak weg en er vielen er nog paar uit de zak. Ik volgde met mijn ogen waar de nootjes belanden en toen kwam ik tot mijn ontsteltenis achter dat ik zelf had plaatsgenomen op een hoopje keutels… Normaal gesproken is dat niet iets om vrolijk van te worden, maar het komische moment gaf me juist de drive om door te gaan. “Als berggeiten hier kunnen komen, dan kan mijn Monkey het toch ook?”
Of het daadwerkelijk keutels van berggeiten waren zal ik nooit weten, maar ik weet wel dat ik toen mijn telefoon installeerde en het eerste deel van mijn afdaling filmde. Dit zal ik ook bijvoegen. In het begin van het filmpje zie je hoe ik naar boven klim om de monkey te gaan halen en in mijn klim brokkelt eigenlijk elk stuk steen dat ik vasthoud af.. Met veel pijn en moeite krijg ik de monkey beneden en na het filmpje mocht ik het trucje nog tweemaal herhalen. De beelden spreken voor zich.
De uren daarna zijn in een waas voorbij gevlogen, maar mede door de vermoeidheid en het besef dat het toch een prille onderneming is zo zonder gereedschap of een goede voorbereiding heb ik besloten de dag toch nog wat risico averser af te sluiten. Het merendeel van de rest van de dag volgde ik een paadje dat ruwweg richting het zuiden ging. Het duurde en het duurde, dus toen ik eenmaal echt toe was aan een slok water besloot ik om toch maar toe te geven aan het advies van de locals: ik sloeg af richting het westen en ik zou een tussenstop maken bij de eerste nederzetting langs de “zwarte weg”.
Onderweg naar deze zwarte weg viel ik natuurlijk nog een paar keer van de motor en andere keren toen ik het er zelf beter vanaf maakte bleven enkel mijn carterpan, voetsteunen, of wieltjes hangen.
Ik kan nu makkelijk schrijven over deze momenten omdat het allemaal weer zo lang geleden en ver weg lijkt, maar ik weet nog goed hoe hulpeloos ik me een enkele keer heb gevoeld omdat de motor gewoon te veel grondspeling tekort kwam door de ruim 100kg die mijn bagage en ik wegen.
Maar ik kan me ook nog herinneren dat ik na het vallen even bleef liggen om te waarderen dat ik midden in een van de mooiste ervaringen in mijn leven tot dan toe verkeerde. En dan was ik nog niet eens voorbij het eerste dorp waar ik op mikte tijdens mijn reis!
Na enige tijd bereikte ik een meer in the middle of nowhere en deze stond ook niet aangegeven op mijn kaart. Ik behoefde geen verdere overtuiging: ik zou even een duik nemen!
Ik had mijn jas en schoenen al uit toen het me pas opviel dat er echt enorm veel maden aan de rand van het water krioelden en daarmee was de pret voor mij wel over. Ik was hoe dan ook aan een goede pauze toe en in de verte zag ik tot mijn verbazing een kleine oase met een tiental felgroene bomen. Ik zal nooit vergeten hoe surrealistisch dat was om te zien.
Mijn plan was om daarnaartoe te rijden en tegen de boom een rustmoment te pakken en nog wat nootjes op te peuzelen. Ik had tenslotte nog een heleboel dagen voor me en het had geen zin om m’n kop nu al te breken over een eventuele achterstand o.i.d..
Zo gezegd, zo gedaan: ik reed naar de bomen in de verte toe. Het zal ongeveer 2 km in de verte geweest zijn en vooral de laatste kilometer was echt ongelooflijk hobbelig, waardoor ik echt met heel veel beheersing (en geluk) een weg moest zien te vinden waarover mijn wieltjes van 20 cm het zouden kunnen uithouden.
Ik was zo intens gefocust op elke kuil en hobbel voor mijn voorwiel dat ik niet eens doorhad dat ik inmiddels was ingehaald door een motor... met een compleet gezin erop. Ja, je leest het goed: een man op zijn motor, met zijn vrouw én jonge zoon achterop – en uiteraard zonder helmen, want waarom zou je? Terwijl ik me een weg probeerde te banen naar de oase, hadden zij me in alle stilte ingehaald en netjes afgesneden, alsof het de normaalste zaak van de wereld was.
Op het moment dat ik ze eindelijk opmerkte, voelde ik een immense opluchting. Ik had namelijk al uren niemand meer gezien en fysiek en mentaal kon ik wel even een meevaller gebruiken nadat ik de Monkey dat hele gebergte naar beneden heb moeten tillen. De vriendelijke man vroeg waar ik naartoe moest. Ik wees op mijn kaart het dichtstbijzijnde dorpje aan langs de zwarte weg, hopend dat ik zo minder verdwaald zou lijken. Via Google Translate liet hij me weten dat ik hem moest volgen. Wat een opluchting, dacht ik – tot ik zag hoe hij, met de finesse van een koorddanser, zijn motor behendig over het ruigste terrein loodste, met vrouw en slapende baby achterop alsof ze op een zondagse picknick waren.
Ergens eerder op de dag had ik mijn koppelingshendel gebroken waardoor ik al heel de dag schakelde zonder koppeling. (Iets wat ik van mijn maat Frits heb geleerd tijdens een poging om in NL de Dutch 1000 te rijden. In zijn luiheid schakelde hij op zijn Blackbird altijd zonder koppeling en waarschijnlijk is dat ook de reden geweest dat hij de 1000km op het nippertje binnen de tijd heeft weten af te leggen) ;)
Het was tot dan toe nog geen enorm probleem gebleken, totdat mijn nieuwe gids besloot dat ik klaar was voor een motortrial door het ruigste terrein dat hij kon vinden. Hij bleef zelf ternauwernood overeind, maar de baby? Die sliep verder, totaal onbewogen. En zijn vrouw leek het ook weinig te interesseren.
Ik daarentegen? Tja, ik moest mijn motor maar liefst drie keer uit het zand vissen tijdens mijn wanhopige poging om de Mongoolse reincarnatie van Evel Knieval bij te houden. Deze man was vijfmaal de motorrijder die ik ben en normaal zou ik daar moeite mee hebben om dat toe te geven, maar in dit geval? Alle eer aan hem, want hij was onmiskenbaar mijn meerdere. De baby en zijn vrouw hadden waarschijnlijk nog meer motorervaring dan ik.
Na een trip die gevoelsmatig een uur duurde, maar in werkelijkheid waarschijnlijk niet langer dan 30 minuten duurde, verrees er in de verte een rijtje gebouwen aan de horizon. Mijn persoonlijke gids reed tot aan de zwarte weg met mij mee en zette mij toen netjes af bij een klein gebouw waar een paar figuren voor de deur aan het roken waren naast hun monkey bikes. Het bleken Johannes en Artem te zijn!
Ik dankte mijn gids in het nederlands en engels, maar gebarentaal ging ons verhaal beter af: ik vroeg hem tot slot nog of hij mij alsjeblieft kon begeleiden tot aan het tankstation zodat ik onze beide motoren kon volgooien voor een exorbitante 5 euro. Ik drong aan dat zij met mij zouden lunchen maar met een vriendelijke lach wees hij beleefd af, waarna ik zijn vrouw een stapel disney stickers gaf voor de kleine. Achteraf was dit een heel waardevolle interactie, omdat dit gezin mij hoogstwaarschijnlijk vanuit de verte heeft zien ploeteren door het zand en de hobbels. Waarna ze besloten hadden om deze arme verdwaalde buitenlander weer naar het juiste pad te leiden. Pure helden.
Toen de motoren eenmaal waren volgetankt racete ik weer naar het kleine restaurantje waar ik zowaar een paar monkey bikes had gezien. Nu pas drong tot mij door wat dat echt betekende! Per abuis liepen we elkaar tegen het lijf in een dorp dat geen van ons allen van plan waren te bezoeken. Soms loopt het leven zo.
We praatten bij en deelden een maaltijd die bestond uit zompige dumplings gevuld met schapenvlees genaamd “Buuz”. Niet bepaald haute cuisine, maar het deed het werk.
Johannes en Artem konden het goed met elkaar vinden en later zou ik erachter komen dat Johannes iets in de richting van Rusische literatuur had gestudeerd, dus qua interesses hadden ze in ieder geval iets om over te praten.
Ik trakteerde Artem op zijn verjaardag op een Magnum-achtig ijsje en in deze supermarkt sloeg ik ook nog even voor bijna geen geld een beetje kneedbaar metaal op de kop. Wellicht zouden we hiermee de koppelingshendel kunnen fixen.
Artem onderhield goed contact met Poras en het was mij een raadsel hoe hij nou weer 2 uur na mij kon aankomen in dit kleine dorp terwijl hij bij lange na niet zo’n zware route had uitgekozen. Intussen probeerden we de koppelingshendel te lijmen met het kneedbare metaal en toen een paar vrachtwagenchauffeurs en verkeersleiders dat van een afstandje zagen konden we al gauw rekenen op wat hulp, maar helaas mocht het niet baten: het afgebroken oppervlak was te klein om goed te hechten.
Toen Poras en Kaito op hun dooie gemakje kwamen aansukkelen stonden wij ze op te wachten met een langzaam sarcastisch applaus. We gaven ze niet veel tijd en na ongeveer een halfuur stapten we alweer op de motoren. In dit halfuur heeft Poras wat eten en drinken gekocht, maar Kaito konden we niet zover krijgen om wat rantsoen in te slaan voor de avond/ochtend. Op de een of andere manier leek hij niet over de toekomst in te zitten, iets wat hem later duur zou komen te staan en voor frictie zou zorgen in de groep.
We besloten om over de zwarte weg te knallen richting het zuiden en een kamp op te zetten in het plaatsje “Tsogttsetsii”. Op het asfalt rustte ik met mijn helm op mijn stuur om de windweerstand te verminderen en al gauw liet ik de anderen op een redelijke afstand achter me, pas toen ik tijdens de zonsondergang een kruising naderde tussen de plaatsen “Tsogttsetsii 60km” en “Dalazadgad 45km” stapte ik af om de benen te strekken. En wat bleek? De hobbits waar ik een halfuur op heb staan wachten zijn voortijdig gestopt om kamp op te zetten naast de weg. Toen het begon te schemeren en de zon achter de bergtoppen in de verte verdween stond ik dus voor een lastige keus: ga ik terug? kampeer ik hier solo langs de weg? Of ga ik all-in en waag ik het tot aan de stad en riskeer ik het om even door het donker te rijden?
Je raadt het al: zoals elk weldenkend mens waagde ik de gok om de stad nog te bereiken in het donker, maar nu week ik logischerwijs af naar Dalazadgad omdat het dichterbij was. Na 20 km was het pikdonker en toen moest ik mezelf even herpakken in de berm: dit kon zo niet langer… het vrachtverkeer op deze route reed met een enorme vaart en vaak werd ik ook nog over het hoofd gezien door tegenliggers. Ik had mijn vrienden Nadia en Ghazi al geappt dat het echt te onverantwoord was om dit plan door te zetten en de weg te donker en gevaarlijk voor mij was. Maar vlak na het zenden van het appje voelde het toch als een nederlaag en daarvoor was ik niet zo ver gekomen. Dus besloot ik met mijn koppige en vooral wispelturige persoonlijkheid een manier te zoeken om toch het stadje te bereiken.
Ik was wederom op mezelf aangewezen voor de oplossing en tja… nu zou je dan inmiddels wel moeten weten dat er een discutabele oplossing staat te wachten…
Ik besloot daarom ook maar gewoon door te rijden met mijn zaklamp in mijn linkerhand en mijn stuur in de rechter: ik had toch geen koppelingshendel meer, dus ik leverde er niets op in qua functionaliteit. De logica was simpel: als tegenliggers mij over het hoofd zagen kon ik nog even gauw in hun ogen schijnen en zo mijn plekje op de weg opeisen. Veiligheid boven alles toch? Ik heb dit de mensen thuis uiteraard niet eerder verteld, omdat ik beloofd had niet al te gevaarlijke dingen te ondernemen.
In de verte zag ik Dalazadgad verreizen als een duizendtal lichtjes, sterk afstekend tegen de gitzwarte nacht. En het mooiste aan dit aanzicht was nog wel de maan die een zacht licht wierp op de bergketen achter Dalazadgad. Dit aanzicht is uiteindelijk voor mij een van de meest onvergetelijke aanzichten van de hele reis gebleken, mede doordat ik niet veel later dagenlang op diezelfde berg zou vast komen te zitten en natuurlijk ook omdat het voor mij toen letterlijk voelde als het binnenvaren van een behouden haven. Maar de laatste kilometers werd het extra moeilijk gemaakt door het roekeloze verkeer om niet in het zicht van de haven schipbreuk te lijden, dus daar was het extra opletten geblazen!
Toen de wereld rond een uur of 8 in complete duisternis gehuld was, arriveerde ik in Dalazadgad. En de Mongoolse dorpen en steden zijn zo ingericht dat je bij elke in- en uitgang van de stad alle tankstations op een rijtje hebt. Het kon me niets schelen, want vanwege de vermoeidheid had ik de mentale capaciteit van een uitgeknepen citoren, dus besloot ik maar om bij de eerste pomp af te slaan, in plaats van door te rijden naar de tweede waar het veel rustiger was. Achteraf zou ik hier geen spijt van krijgen.
Zodra ik achteraan de rij aansloot vroeg ik de auto voor mij of ik in de buurt was van de camping. (in mijn onwetendheid had ik me voorgenomen om te overnachten op een kampeerterrein, een beetje zoals we dat hier in West-Europa doen, maar daar gelden natuurlijke andere normen.) Nog voordat de onwetende bestuurder mij een antwoord kon geven kwamen er twee andere mongolen uit verschillende richtingen op mij afgestapt. Een van de twee kwam uit een personenwagen en sprak vloeiend Engels: deze heer wilde optreden als tolk en hij was op doortocht vanuit Ulaanbaatar. Verder ben ik helaas niets meer over hem te weten gekomen, maar zijn gezicht zal ik nooit vergeten voor wat het waard is.
De andere heer was Batnare en hij kwam uit de richting van het tankstation-huisje. Hij sprak geen woord Engels en hij was aan de telefoon met zijn vrouw. In zijn enthousiasme was hij op me afgestapt, maar door de taalbarrière deed hij weifelend een stapje terug. Ik had al een paar uur niemand gesproken en in een vlaag van extrovertie stapte ik op hem af en maande ik hem om plaats te nemen op de deftige zetel van mijn Monkey. Hij kon zijn lol niet meer op en al gauw stond ik met zijn mobiel in mijn hand te videobellen met zijn vrouw (die ook geen woord Engels sprak) terwijl ik de camera op Batnare gericht hield. Het was een komisch moment waarin twee forse kerels niets meer zijn dan twee schooljongens die elkaars speelgoed bewonderen. Ik weet niet wie van ons er meer plezier had, maar Batnare leek zich in elk geval te amuseren alsof hij net een nieuwe Monkey cadeau had gekregen.
Ik had precies 1% batterij over toen ik Batnare vroeg of hij wist waar de camping was en mijn telefoon viel vlak nadat hij zijn antwoord had gegeven uit. Zijn antwoord luidde: “You sleep here” en hij wees naar het grasveldje naast het tankstation.
We vervolgden het gesprek met handen en voeten en volgens mij probeerde hij mij duidelijk te maken dat het veiliger was om in de buurt te blijven van deze 24/7 tankstation dan ergens in een willekeurig veld aan de rand van de stad. Althans, dat wil ik geloven, omdat ik er geslapen heb.
Ik zette mijn tent op in het grasveld naast het tankstation en door mijn hoofd spookte het advies van mijn vriendin Nadia - mijn enige vriend met iets van kampeerervaring. Zij heeft me tientallen keren verteld dat ik absoluut alle rotsen en steentjes moest verwijderen alvorens te gaan liggen, omdat ik anders een gescheurde tent of slaapmat riskeerde. En uiteraard, je raadt het al: dat advies sloeg ik in de wind (maar daar zou ik de volgende ochtend echt spijt van hebben).
Terwijl ik mijn tent opzette in het grasveld liet ik al mijn spullen naast de pomp liggen, dus het kostte me een paar tripjes heen en weer lopen, maar dat betekende wel dat mijn spullen niet vies werden van in het gras liggen (toen was ik nog een groentje, onwetend wat me te wachten stond gedurende de rally). Mijn tent stond en ik liep terug naar de motor om mijn slaapzak en bagage van de monkey te halen. Ik draaide me om, en mijn kostbare bezittingen vielen abrupt uit mijn handen toen ik mijn tent daar niet meer zag staan.
In mijn beperkte voorbereiding heb ik wel eens in een tent geslapen in mijn achtertuin: een omheinde achtertuin middenin Rotterdam-Zuid. Een factor die nooit heeft meegespeeld is voor mij de wind geweest, dus hier ging ik finaal de mist in.
Mijn tent waaide weg en als een karikatuur uit een kinderboek rende ik erachteraan. Gelukkig bleef hij hangen in een struikgewas, zo’n 100 meter verder. De walk of shame met een hevig wapperende tent in mijn handen leek wel uren te duren en Batnare schoot mij lachend te hulp met de haringen die ik naast de tent op de grond had laten liggen. Nu kwam ik er ook meteen achter waarom de haringen maar 1 euro waren Die haringen waren van zulke erbarmelijke kwaliteit (Action, bedankt!) dat ik ze allemaal krom sloeg op de semi-harde ondergrond. Of zou het gelegen hebben aan de zware carcinogene metalen die zich ongetwijfeld in dit verontreinigd grasveld bevonden? Maar ach, beter kromme haringen dan helemaal geen tent, hield ik mezelf voor.
Batnare had met mij te doen en hij vroeg of ik een hapje wilde eten. Als ik het nu zo typ lijkt het een simpele vraag, maar om zijn vraag destijds te begrijpen hadden we weer handen en voeten nodig (en een afgedankte noodle cup die zich tussen het zwerfafval bevond waarnaar hij kon verwijzen alsof we een potje pictionary speelden).
Ik houd erg veel van lezen en ik lees soms wel 2 boeken per week als ik even tijd heb. Voor mij was de simpelste manier om me voor te bereiden op deze trip dan ook door het lezen van boeken. Hiervoor schafte ik gauw een viertal boeken aan om te verslinden in mijn laatste week in NL: Che Guevara’s reisverslag, Keerpunt van Itchy Boots, Met de motor langs de zijderoute van Marc Helsen, en een boek van Wim Hof omdat ik wist dat Mongolië heel koud kon zijn. Als je Che’s boek hebt gelezen weet je dat zijn motortocht ook niet zonder slag of stoot verliep (hij eindigde zijn tocht zelf zónder motor). In een van zijn memoires vertelt hij over de listen die hij en zijn compagnon verzonnen om hun parasitaire levensstijl te onderhouden. Zo nu en dan acteerden ze in gezelschap, bijvoorbeeld dat het een van hun verjaardagen was, waarna hun gastheer of een andere zuivere ziel ze de rest van de avond liet genieten van drank en eten. En dit is maar een greep van de streken die hij beschrijft. Ik kan alle boeken overigens om uiteenlopende redenen aanraden.
Toen Batnare mij vroeg of ik een hapje wilde eten ging precies dat verhaal Che bliksemsnel door mijn hoofd heen. Ja, natuurlijk wilde ik eten! Maar ik wilde het niet laten lijken alsof ik een uitgehongerd beest was, dat meteen van zijn gastvrijheid gebruik wilde maken. Dus, ik deed wat Che ook gedaan zou hebben. Ik sloeg beleefd zijn aanbod af en ik bood Batnare nu zelf wat eten aan, ik had immers genoeg…
Al gauw toverde ik het gescheurde zakje nootjes uit mijn rugzak en bood ik hem in alle onschuld, alsof dit mijn normale levensstandaard was, een volle vuist noten aan. Batnare, met plaatsvervangende schaamte, sloeg dit karige aanbod af en hij liep weg.
Het duurde een paar minuten voordat hij mij opdroeg om plaats te nemen in een kleine pick-up truck van Daihatsu die toebehoorde aan het tankstation. En zoals mijn ouders het mij vroeger hebben bijgebracht stapte ik nu ‘s nachts met een lege batterij bij deze vreemde meneer in de auto. Hij bracht mij naar een supermarkt en hier kreeg ik de keus uit een paar bakken noodles: mild of spicy. Na het lezen van Chris van Tulleken’s boek over bewerkt voedsel had ik gezworen nooit meer instant noodles naar binnen te werken, maar in deze situatie kon ik het aanbod niet afslaan. Batnare rekende snel een 4-pack halve liters, 2 eieren, de milde noodles en een stuk vlees af, terwijl ik wat water insloeg voor de volgende dag. Ik schaamde me en probeerde nog te betalen, maar hij was resoluut in zijn opdringerige gastvrijheid.
Toen we eenmaal terugkwamen bij het tankstation namen we plaats in de grote truck. De olietanker waar alle benzine inzat. Daar kookte hij de noodles voor mij op een gaspitje - in deze wagen vol duizenden liters licht ontvlambare vloeistof. De Mongoolse ARBO had dit graag gezien denk ik! Hierbinnen kon ik mijn telefoon opladen en het gesprek kwam al gauw op gang met google translate. Intussen sneed ik de stukken vlees in stukken en prepareerde hij de eieren in de pan. We waren een goed geoliede machine.
Alles wat ik over Batnare zal schrijven kan alleen maar tekort schieten: Hij heeft mij zeer gastvrij ontvangen, hoewel hij zelf gewoon aan het werk was. Hij vertelde als een trotse vader over zijn twee dochters, zijn vrouw, zijn hond en zijn paard. En zoals het een écht trots man betaamt, liet hij ook van al zijn gezinsleden foto’s en video’s zien. Het was prachtig om deze mensen op een klein scherm te aanschouwen. Niet omdat ze iets noemenswaardig deden, maar juist omdat ze tijdens het uitvoeren van kleine alledaagse taken te zien waren en ik wist dat deze mensen zoveel voor Batnare betekenen. Het is denk ik een van de grootste complimenten voor een mens om in een dergelijke situatie getoond te worden aan een wildvreemde. Wat ik hiermee bedoel te zeggen; het is een makkelijk inkoppertje om vol trots foto’s van een diploma-uitreiking te laten zien aan een wildvreemde gast. Maar Batnare haalde er evenveel voldoening uit om een foto te laten zien van zijn baby en volgens de vertaling was deze foto voor noemenswaardig omdat de baby die dag bewust werd van haar eigen voetjes. Het zijn de kleine dingen in het leven.
Ons gesprek duurde voort tot in de nacht en het eten smaakte verrukkelijk. Ik kwam niets tekort en hij stopte me een biertje toe voor de volgende dag en ook nog een zak met schapenmelk lekkernijen (waarvan ik wist dat ik dat niet moest proberen te verteren). Nadat wij urenlang hadden gesproken over de grootse en kleine dingen in het leven nam ik afscheid van hem om 01:00 ‘s nachts. Hij zou de volgende ochtend rond 06:00 vertrekken en dit zou dan waarschijnlijk ons laatste afscheid ooit zijn.
*Batnare heb ik vandaag (6okt) nog even gauw gesproken via facebook en het gaat goed met hem. Hij liet trots zien dat hij het nederlandse muntgeld dat ik hem had gegeven op zijn dashboard heeft geplakt (omdat ze in Mongolie al tientallen jaren geen muntgeld meer gebruiken). Ook stuurde hij me wat foto’s toe van zijn vrachtwagen, omdat hij zich nog goed kan herinneren hoe erg ik onder de indruk was van zo’n imposante machine. Let vooral niet op het dubbelzinnige logo, waar je in Nederland of ons buurland absoluut niet mee over straat kan!*
Ik trok me terug in mijn tent en met een enorm zelfvoldaan gevoel viel ik in slaap, nog voordat ik mijn slaapzak dicht heb kunnen ritsen. Dit was pas dag 1…
Bijgevoegd, nog wat filmpjes:
https://youtu.be/I1-OQShfLl0 (de motor naar beneden tillen)
https://youtu.be/46s6D1SW3hU (in de ochtend bij het ravijn)
https://youtu.be/vkh025JYt-0 (een nieuwe weg inslaan vanwege de zonsondergang)
https://youtu.be/0UDLqJ5mTJE (het prachtige aanzicht van de stad in de verte)
